De botter is een scheepstype dat vroeger gebruikt werd voor de visserij op de Zuiderzee.
Het scheepstype ontstond geleidelijk aan, steeds vonden aanpassingen plaats. De geringe
diepte van de Zuiderzee leidde tot de ontwikkeling van rond-
kiel, de zijzwaarden zorgen ervoor dat deze schepen
niet "verlijeren", zijwaarts afdrijven. Bij de EB51 (zie foto) zijn de zwaarden wit.
Op de Zuiderzee kwamen allerlei verwante scheepstypen voor, waarmee zeilend gevist
werd. Kenmerkend voor het tuig van deze schepen is de meestal ongestaagde mast, met
alleen een massief ijzeren voorstag; het grootzeil hangt aan een gekromde gaffel;
als er niet teveel wind is, kan de kluiver gehesen worden aan de naar voren geschoven
kluiverboom; bovendien kan op het achterschip de bezaan (of aap, of bras) gehesen
worden.
Kenmerkend voor de botter is de fok, die tot ver voorbij de mast reikt. Noodzakelijk
om de netten te slepen, maar moeilijk hanteerbaar bij het wenden. Wieringer aken
hadden juist een smalle fok, om te kunnen laveren in de geulen van de Waddenzee.
Verwante schepen zijn o.a.: de Wieringer aak (met een geringe diepgang i.v.m. de
droogvallende platen), de Lemsteraak (een rondbodem), de Staverse jol (zonder zijzwaarden),
de bons, de pluut, en de schokker (alle drie met een rechte voorsteven), de schouw
(met vlakke voor-
In 1918 werd het besluit genomen de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk droog te leggen; in 1932 was de Afsluitdijk klaar. Sommigen visten door tot in 1965.
Op het hoogtepunt van de Zuiderzeevisserij, rond 1900, werd er met zo'n 1400 schepen gevist.
De belangrijkste vissershavens, zoals Enkhuizen, Volendam, Marken, Huizen, Spakenburg, Harderwijk, Elburg, Lemmer telden elk tussen de 100 en 200 schepen. In het zeil en op het boeisel voerden de schepen de nummers van zeker 60 verschillende thuishavens. De Urkers nemen een aparte plaats in, omdat die bijna alleen op de Noordzee visten. Elk visgebied stelde zijn eigen eisen aan de schepen die er voeren; daarom verschilde de samenstelling van de vissersvloten per plaats.
Het meest bekende en succesvolle schip voor de visserij op de Zuiderzee was de botter.
Hoe en waarop gevist werd, hing voornamelijk af van het jaargetijde. In het voorjaar was het haring, in mei ansjovis; zuiderzeebot het hele jaar door, paling vooral in de zomer. Daarnaast werd er gevist op ondermeer garnalen, spiering en mosselen. De vismethoden kunnen we verdelen in twee hoofdgroepen: "gaand want" (de netten worden gesleept) en "staand want" (de netten worden neergezet).

Bij de foto hiernaast is de botter EB51 onder zeil: kluiver, fok, grootzeil en bezaan of bras of aap. De kluiverboom is uitgestoken. De vleugel (bij veel schepen wordt dat de windvaan genoemd) laat zien hoe de wind staat. Typerend aan een botter is, dat zowel de fok als de kluiver maar één schoot heeft. Op een vissersschip geldt: hoe minder touwwerk aan boord, hoe beter. Vandaar dat ook het grootzeil gehesen wordt met één val. Een ander voorbeeld van de eenvoud in de tuigage is, dat de fok bediend wordt met een enkele schoot. Dus bij het overstag gaan moet de schoot vóór de mast langs overgenomen worden. Alles gebeurt met handkracht, ook het hijsen van de zeilen.
Er zijn nog ruim zestig botters; en nog ruim vijftig andere voormalige zeilende vissersschepen van de vroegere Zuiderzee.
De meeste zijn particulier eigendom. De meeste eigenaars zijn zich ervan bewust dat ze een "varend monument bezitten"; ze proberen hun schip zo goed mogelijk in stand te houden. Alleen al het onderhoud is veel werk; overheidssubsidies zijn er niet of nauwelijks. Vandaar dat sommige botters aan groepen verhuurd worden voor "een dag lekker zeilen". Kijk voor verhuur bij de HK22 en HK172 op deze site. Gelukkig zijn er een aantal scheepswerven in staat om nog reparaties uit te voeren.
Voor wie belangstelling heeft voor deze schepen, is een bezoekje aan de Haven van Harderwijk zeker de moeite waard. De "Harderwijker Botterstichting” zet zich in voor het behoud van de vrijwel uitgestorven scheepstypen van de oude Zuiderzee. Daarbij probeert de vereniging de bij de schepen behorende visserijmethoden en ambachten vast te leggen en toe te passen, voorzover dit nog uit de overlevering te achterhalen is.
Om ons daarbij te helpen kunt u zich aanmelden als donateur van onze stichting en
krijgt u een naamsvermelding in de Club van 25. (voor minimaal €25,-
Op schepen wordt wel eens muziek gemaakt; een instrument, dat bij schippers al heel
lang "in trek" is, is de trekzak. Er zijn nog veel meer namen; in scheepskringen
zijn of waren de volgende termen in gebruik: schippersklavier, piano met bretels,
knopenkast, zuigspinet, scheurijzer, tietenpletter, arme lui's orgel. In Limburg
wordt hij wel knijpzak genoemd! Twee belangrijke verschillen met de accordeon: 1.
een accordeon heeft toetsen, een trekzak alleen maar knoppen; 2. bij een accordeon
maakt het bij een bepaalde knop (of toets) niet uit of je duwt of trekt, er komt
dezelfde toon uit; bij een trekzak geeft trekken een andere toon dan duwen.
Voor wie meer wil lezen over botters. (een aanzet tot een literatuurlijst)
Jules van Beylen: De botter. Geschiedenis en bouwbeschrijving van een Nederlands visserschip. Weesp, De Boer Maritiem, 1985. Al wat ouder, niet meer verkrijgbaar, maar bij sommige bibliotheken misschien nog te koop.
Peter Dorleijn: Van gaand en staand want. De zeilvisserij voor en na de afsluiting van de Zuiderzee. Deel I: Hoorn en Enkhuizen. Zaltbommel, Europese Bibliotheek, 1982. ISBN 90 288 4893 2. Zo zijn er nog 4 delen.
Peter Dorleijn: Zuiderzeevisserij in beeld. Amsterdam, Stichting voor het bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, 1987. Veel tekeningen, kan door kinderen begrepen worden. ISBN 90 6011 532 5.
Peter Dorleijn: De bouwgeschiedenis van de botter. Vierendertig voet ik de kiel. Franeker, uitgeverij Van Wijnen, 1998. ISBN 90 5194 172 2.
Tagrijn. Tijdschrift van de Vereniging Botterbehoud. Verschijnt viermaal per jaar.